Spanje

Spanje 1962 - 1973

Na het overlijden van zijn moeder in 1958 en de komst van een nieuwe vrouw in het leven van zijn vader, besloot Stahlecker op zichzelf te gaan wonen. Na een aantal tentoonstellingen in Nederland vertrok hij in 1962 naar Spanje, waar hij met weinig financiële middelen rond moest zien te komen. Hij vond een atelier op de bovenste etage van het gebouw La Pedrera van Gaudi aan de Paseo de Gracia, dat tegenwoordig niet meer bewoond wordt omdat het als toeristische trekpleister dienst doet. In 1963 exposeerde hij in Madrid in Galerie Grifé y Escoda onder auspiciën van de Nederlandse ambassadeur Jonkheer van Panhuys. Het dagblad YA schreef: “Hij is een voortreffelijk kunstenaar die in het Nederlands voelt en denkt, maar die zich in zijn schilderijen in het Spaans uitdrukt.

In 1964 exposeerde hij in Madrid onder bescherming van prinses Irene en Carlos Hugo de Bourbon Parma. Hij nam deel aan groepstentoonstellingen zoals in de Salon de Mayo en de Salon de Hospitalet. Tevens won hij de zilveren medaille van Bañoles. In Spanje kreeg hij als Nederlandse kunstenaar veel publiciteit en werd voor een interview uitgenodigd bij een radioprogramma. Het moet voor de Nederlandse Pers vreemd geweest zijn om te ervaren dat een betrekkelijk nieuwe kunstenaar in het buitenland zoveel publiciteit haalde.

Restaurant La Paleta

Inmiddels had Adrian met zijn partner Jan Neurdenburg een restaurant geopend in Calafell dat bij Barcelona ligt. In dit restaurant met de toepasselijke naam La Paleta kwamen niet alleen toeristen eten, maar ook de Spaanse bevolking wilde mee genieten van de kookkunst die Adrian tijdens zijn koksopleiding en loopbanen in gerenommeerde restaurants had opgedaan. Zo stapte er een dag de acteur John Finch binnen die in Spanje was om een film op te nemen. Na een aantal bezoeken vroeg Adrian hem of hij en zijn vriendin die in dezelfde film meespeelde model wilden staan, waar het koppel in toestemde. 

Buiten de langwerpige doeken die Adrian in Spanje schilderde, ging hij op verzoek de dierenverblijven in een safaripark schilderen, waar hij het volgende over heeft geschreven.

Het Safaripark

Op het moment dat het badseizoen voorbij was, kreeg ik het verzoek om een safaripark te beschilderen. Een stelletje Spanjaarden en Amerikanen waren op het idee gekomen om bij het dorp Albiῆana een safaripark op poten te zeggen. Het park lag in een vallei waar alleen olijfbomen groeiden. Op een heuvel had men een restaurant en een klein kermisje gebouwd. Het probleem was dat de bezoekers nu uitkeken op de vallei waar men een aantal foeilelijke verblijven voor de dieren had geplaatst. Om het uitzicht te veraangenamen moesten de hokken beschilderd worden. Tijdens een gesprek begreep ik direct dat de heren een wansmaak hadden. ’Something like a hunter with a gun’. Ik kocht daarna een aantal boeken over Afrikaanse kunst en schilderde op de wanden van de droefgeestige gebouwen gestileerde dierenfiguren en Afrikaanse maskers. Het was niet eenvoudig want het verblijf van de giraffen was behoorlijk hoog, waardoor ik op een ladder moest werken, terwijl ik hoogtevrees heb. Na een paar rum-cola’s lukte het echter wonderwel. 

Mijn partner Jan hees met een touw en een blik de gewenste kleur naar boven. Een probleem waren echter de struisvogels, die aan je broeksknopen pikten en een tapir die de penselen opvrat en met zijn slurfje eens een heel blik latexverf opslurpte. Maar de grootste plaag was een oversekste mannetjeskameel. Het park had het dier van een andere dierentuin overgenomen om voor voortplanting te zorgen waaraan hij zich met veel overgave kweet. Het beest plaste de hele dag en sloeg met zijn staartje tegen zijn geslachtsdeel waardoor de urine zich over zijn vacht verspreidde. Waarschijnlijk maakte hem dat aantrekkelijk voor de dameskamelen maar de lucht was onverdraaglijk en je rook al van verre dat hij in aantocht was. Daarbij had hij een enorme tong die voortdurend uit zijn bek hing, waarbij hij enorm kwijlde. 

Op een goede dag besloot de directie dat ik ook de elektriciteitscentrale moest beschilderen. Ik bleef daarbij met mijn penseel een decimeter van de hoogspanningskabels verwijderd. 

Het probleem was dat zich bij het gebouwtje ook een voedingsruif bevond waaruit de kamelen vraten. Het mannetje was blijkbaar zeer verstoord door onze aanwezigheid en begon vreemde geluiden uit te stoten en steeds sneller om het gebouw te galopperen. Jan probeerde hem met een stok wat af te weren waardoor de kameel bijzonder agressief werd. Op het laatste moment konden we nog net naar de auto vluchten. Met zijn kop stompte hij tegen de voorruit en beet de zijspiegel van de auto af.  Elke ochtend begroetten ons van verre twee kleine olifantjes, waarvoor we wat appels meenamen. Na enige tijd zat er nog maar één. De andere was omgekomen in de ijskoude vallei waar ’s-morgens de door de regen ontstane plassen bevroren waren. Het overgebleven olifantje werd met olie ingesmeerd, maar na enige tijd bezweek ook hij, waarschijnlijk vanwege eenzaamheid.    

Steeds kwamen er weer nieuwe dieren bij. Bij het uitladen brak een giraffe zijn poot en moest worden afgemaakt. Langzamerhand begon ik te begrijpen dat het park niet uit verbondenheid met de natuur en de dieren gemaakt was, maar uit zuiver winstbejag. Er was geen goede dierenarts aanwezig en de sterfte was dramatisch. Omdat de giraffen en kamelen de olijfbomen kaal vraten, had men om het park toch een exotisch aanzien te geven, voor een vermogen aan palmbomen uit Marokko geїmporteerd, die echter ook de ijzige kou niet overleefden en stuk voor stuk het loodje legden. We konden op een gegeven moment het dierenleed niet meer aanzien en toen de heren nog gingen afdingen op een opdracht voor een nieuwe gebouw, gaven we er de brui aan.

Bodega Bohemia en Mari Alda

Als Adrian met Jan Neurdenburg in Barcelona was, bezochten ze Bodega Bohemia waar tweederangs zangers de gelegenheid kregen om op te treden. Om in dit kleine theatertje te mogen zingen moest je een dikke huid hebben, omdat de bezoekers allerlei denigrerende opmerkingen maakten en deze vorm van scanderen één van de attracties werd.

Mari Alda die bij de ingang kaartjes verkocht was een van deze artiesten en in tegenstelling tot andere zangers die zich soms als een vrouw verkleedden, bleef Mari Alda zichzelf en droeg een muisgrijs en vormeloos mantelpak met sokjes. Helaas heeft het theater de deuren moeten sluiten en is er alleen een you tube film overgebleven waarin Mari Alda haar lied ten gehore brengt.

Adrian Stahlecker heeft haar in 1963 geportretteerd en heeft in zijn autobiografie een stuk over haar geschreven. Het is niet de muisachtige en weinig vrouwelijke kleding en de wijze waarop Mari Alda aan haar einde kwam die de beschouwer een triest gevoel geven, maar de blik in de door Stahlecker weergegeven ogen is dermate indringend dat deze nog lang in de herinnering blijft. De kans om te mogen optreden en het karige applaus dat dit opriep, zal haar een gevoel van eigenwaarde bezorgd hebben waardoor ze geen behoefte had aan enige vorm van glamour. Hoe wrang was het dat ze om ergens anders op te treden op verzoek van de opdrachtgevers zich moest verkleden in een dunne jurk, hierdoor kou vatte en dientengevolge overleed.

Adrian schreef hier het volgende over.

Mari Alda, een zangeres uit Barcelona in haar nadagen

uit: Adrian Stahlecker, Schilderswijk en Society, blz. 143-144

In Barcelona bevond zich dicht bij het Barrio Chino op de hoek van de Calle Conde Asalto en Calle Lancaster, Bodega Bohemia. Het cabarettheatertje was in 1920 gesticht en sindsdien niet veranderd. Langs een bar aan de straatzijde kwam men in een zaaltje met houten tafeltjes en caféstoelen. Aan het einde bevond zich een klein toneeltje met een piano en een ombouw waarop vazen vol pluimen en pauwenveren stonden. De bezoekers van het Café Cantate kwamen er niet om van de muziek te genieten, maar om te lachen, want alle bizarre, vals zingende artiesten die er optraden waren op leeftijd en leken zo uit een Fellini-film gestapt te zijn.

De befaamde Franse revuester Mistinguett was dol op Barcelona. In haar memoires Toute ma Vie schrijft ze enthousiast over het amusement in de stad en nadat ze was gestopt met optreden, bezocht ze regelmatig Bodega Bohemia. Ze was niet de enige beroemdheid die tijdens een verblijf in Barcelona het absurde schouwspel ging aanschouwen. Schrijver Marsillach schrijft in zijn boek Tan Leo’s tan cerca (zo ver, zo dichtbij) over een bezoek dat Jean Cocteau in de jaren vijftig aan het cabaret bracht. De dichter had er met zijn minnaar, de mooie, jonge, Franse acteur Jean Marais naar toe willen gaan. Hij belde naar Parijs en vertelde Marais enthousiast over La Bohemia en dat hij hem na zijn komst het cabaret wilde laten zien. Marais had echter een panische angst voor het fysieke verval en zag van de reis naar Barcelona af. Eigenlijk was het een wreed schouwspel omdat de optredende artiesten voortdurend werden beledigd, uitgejoeld en uitgelachen. Maar de meesten waren over het algemeen goed van de tongriem gesneden en wisten het publiek van repliek te dienen, waardoor ze dikwijls de lachers op hun hand kregen.

Zo was er de oude revueartiest El Grand Gilbert, in zijn gloriejaren een gevierde revuester, maar nu een schaduw van zichzelf. Hij droeg een gitzwart pruikje met een scheiding in het midden, dat soms in het vuur van zijn optreden op zijn gladde kale schedel verschoof en naar één kant overhing. Zijn repertoire bestond onder andere uit een duet van Maurice Chevalier en Mistinguett, waarbij hij beide stemmen trachtte te imiteren. Voor de act van Mistinguett rolde hij zijn broek tot boven de knie op, waardoor zijn sokophouders en spataderen zichtbaar werden. Hij bediende zich van twee enorme waaiers van struisvogelveren, waarvan hij de ene achter zijn hoofd hield en de andere tegen zijn achterste. Het publiek lag dubbel van het lachen.

Dan was er de hysterische soprano fantasista die nooit met de bezoekers sprak, maar tijdens de optredens van andere artiesten met een zware hoornen leesbril muziekpartituren zat te bestuderen. Er ontstond altijd grote hilariteit als ze opkwam en een stuk uit Madame Butterfly ten gehore bracht. Om een hoge noot te kunnen halen, zakte ze dan door haar knieën en kwam al zingend omhoog, waarbij ze zo vreselijk krijste dat het publiek mee gilde. Haar grootste succesnummer was echter Mon Homme, dat ze zong met een rode zakdoek om haar nek geknoopt. Tijdens het nummer maakte ze hem los om er verleidelijk mee over de hoofden van de mannelijke bezoekers te aaien. Als ze het publiek haar magere benen toonde door haar rok met vele petticoats op te trekken, kon ze altijd op een fluitconcert rekenen.

Maar een van de grootste sterren van het cabaret was Mari Alda, een magere vrouw van in de vijftig met hangborsten. Haar grauwe gezicht voorzien van en prominente neus was omlijst met een peper-en-zoutkleur sluik kapsel met een pony. En profile leek ze op Laurence Olivier als Richard III. Ze droeg altijd vaalgrijze jurken tot over de knie waaronder een bloot dik en een dun been tevoorschijn kwam met aan de voeten sokjes en te ruime sandalen. Als ze zong, klonk het monotoon. Het leek wel of ze gedrogeerd was, want haar teksten waren nauwelijks te volgen. Ze bediende zich ook van een internationaal repertoire door Piafs La Vie en Rose in het Frans te ‘vertolken’ en Cole Porter’s Night and Day in een vreemd soort Engels. Ze liet zich graag aan tafel uitnodigen, waar ze in plaats van een drankje altijd om een sandwich vroeg. Totdat er een dag kwam dat ze op het idee kwam als een zeer bescheiden entraineuse om thee te vragen. Ze kreeg dan een klein kopje met heet water waarin een stukje citroen dreef. Van de provisie die ze van de barman ontving, wist ze, zoals later bleek, nog een redelijk kapitaaltje bij elkaar te sparen.

Ik maakte van zowel Grand Gilbert als Mari Alda portretten. De oude man van omstreeks tachtig kwam eerst even poolshoogte nemen of er verwarming in de flat was omdat hij werkelijk dacht dat hij naakt moest poseren. Van Mari maakte ik twee portretten, waarvan het laatste nog niet helemaal af was. Ze zou een week later weer komen. Maar kort daarvoor vernam ik dat ze overleden was. De reden van haar plotselinge overlijden was nogal triest. Studenten hadden haar namelijk gevraagd op te treden op een feest en voor die gelegenheid hadden ze speciaal een jurk voor haar gehuurd die van boven behoorlijk bloot was en een hoog opgesneden split aan de voorzijde had. Mari, niet gewend aan dergelijke schaarse kleding, vatte een zware kou en omdat ze nauwelijks nog enige weerstand had vanwege een zwak hart, kreeg ze op straat een hartstilstand. Pas een paar dagen na haar dood werd ze in het mortuarium geïdentificeerd. Ze liet een spaarboekje na met een half miljoen peseta’s, indertijd een aanzienlijk bedrag.

Toen het Franco-regime ophield te bestaan, traden er in La Bohemia hoofdzakelijk travestieten op. De Nederlandse cineaste Sonia Herman Dolz maakte kort voor het einde van de twintigste eeuw een documentaire over het cabaret dat kort na het overlijden van de eigenaar zou sluiten. De straat waar Bohemia zich bevond, komt uit op de Paralelo (heden Parallel), een brede boulevard vol bars, theatertjes en enkele kermisattracties. De buurt bruiste van het leven. Een van de bekendste zesderangstheaters was El Molino, een kopie van de Moulin Rouge. Daar trad revuester Johnson op, een valse ouwe nicht die zijn homoseksualiteit bepaald niet onder stoelen of banken stak en het publiek vermaakte met zijn extravagante kostuums, dubbelzinnige liedjes, improvisaties en rake opmerkingen.

Helaas is het allemaal verdwenen: de sfeervolle tapasbars met zaagsel op de vloer en sfeerverlichting zijn nu Mc Donalds- en Kentucky Fried Chickenrestaurants waar de jeugd zich onder neonbuizen volpropt met fastfood. Met de Olympische Spelen voor de deur moesten de theatertjes plaatsmaken voor rijen flats. De straat vormde vanaf de haven de doorgangsweg naar het Olympische stadion van Montjuich en men wilde de gezonde okselfrisse atleten en de bezoekers aan de Spelen niet confronteren met het decadente volksvermaak van Barcelona. Het enige wat nog herinnert aan het voormalige amusementscentrum van de stad is een beeldje van de legendarische Spaanse zangeres-danseres-filmactrice Raquel Meller (1888-1962), dat kort na haar dood door Sarita Montiel werd onthuld. Het staat nu plompverloren op een pleintje tegenover de flats.

Publiciteit in Spanje